05 dec 2019

Op weg naar een eerlijke internationale fiscaliteit?

De wereld is een dorp. Dat is één van de belangrijkste evoluties van de voorbije decennia. Op een paar uur tijd kan je om het even waar op deze planeet geraken. Meer nog: fysische verplaatsingen zijn niet langer nodig om met elkaar te vergaderen, om te winkelen, of om een video-gesprek te voeren met je Australische pennenvriend uit de lagere school. De wereld is een dorp.

Dat betekent ook dat de wereld een dorp is geworden voor onze bedrijven. Een bedrijf kan overal in de wereld actief zijn, met of zonder fysische aanwezigheid. Er is altijd en overal gelegenheid om handel te drijven.

En op zich is dat niet slecht, natuurlijk. Bedrijven zorgen ervoor dat wij de diensten en producten kunnen verkrijgen waar we nood aan hebben (of denken nood aan te hebben). Bedrijven zorgen voor werkgelegenheid. Bedrijven zorgen voor een deel van de welvaart in deze wereld.

Maar bedrijven krijgen ook veel van de maatschappij. Bedrijven krijgen van de maatschappij de kans om zich te ontwikkelen. Bedrijven krijgen van de maatschappij ruimte op de markt om er zich in te bewegen. Bedrijven maken gebruik van infrastructuur van de maatschappij, zoals autowegen, waterwegen, digitale netwerken enzovoort, om hun activiteiten te kunnen ontplooien.

Dat betekent dat bedrijven ook een maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben. En daar durft het schoentje al eens te wringen.

Veel bedrijven steken een hoop geld en energie in het zoeken naar manieren om winsten te optimaliseren en zo weinig mogelijk belasting op bedrijfswinst te betalen. Waarom doen ze dat? Een beetje voor zichzelf. Een beetje voor hun medewerkers. Maar ze doen dat vooral, dames en heren, ten voordele van hun aandeelhouders. In onze vrije markt zijn het de aandeelhouders die de waarde van een bedrijf bepalen. Bedrijven proberen dan ook hun aandeelhouders zo maximaal mogelijk te bedienen. Maar zoals ik daarnet reeds aantoonde zijn het niet de aandeelhouders die de publieke infrastructuur ter beschikking stellen, maar wel de maatschappij. Wij moeten er dan ook alles aan doen om die bedrijven een eerlijke bijdrage te laten leveren aan de maatschappij.

We moeten natuurlijk wel toegeven dat we het hen niet heel moeilijk maken. Een bedrijf is wereldwijd georganiseerd, en heeft een globaal overzicht van zijn activiteiten. Dat bedrijf wordt geconfronteerd met een verzameling van landen die elk voor zichzelf werken. Op die manier beconcurreren de landen elkaar, en zuigen ze elkaar mee in een negatieve spiraal naar de bodem toe, en moeten die bedrijven enkel toekijken en dan beslissen waar ze de beste deal kunnen sluiten.

Als we dat willen doorbreken, dan moeten we durven praten over het harmoniseren van de fiscaliteit, over de grenzen heen. En dat is precies waar heel dit project om draait: een eerlijke verdeling van de winsten over de landen, en het streven naar een minimale aanslagvoet die voor al deze landen geldt.  Een extra positief punt is het feit dat er niet alleen naar de consumptielanden wordt gekeken, maar ook naar de productielanden. Dit kan dus een belangrijke hefboom zijn voor extra inkomsten voor de ontwikkelingslanden.

Maar er zijn natuurlijk een heleboel obstakels. Wie durft er het voortouw nemen als het gaat over harmonisering van de fiscaliteit? Welke houding neem je aan als je hierover discussieert? Wat gebeurt er als een aantal landen stappen zetten, maar eentje doet niet mee? Wat dan?

In dat verband wil ik even verwijzen naar een parlementaire vraag die collega Laaouej onlangs stelde aan minister De Croo over de stand van zaken van dit project, en de houding van de Belgische onderhandelaar aan de tafel. De allerlaatste zin van de minister baart mij zorgen, en illustreert ook mijn bezorgdheid. Het antwoord was in het Frans, dus ik ga letterlijk citeren:

“Les positions du représentant belge au sein du comité de pilotage du cadre inclusif visent toujours à contribuer de manière constructive aux projects en cours” en nu komt het “tout en veillant à la préservation des intérêts de la Belgique”

Ik begrijp uiteraard wel waarom de minister dit zegt. Maar zolang bij een discussie over het harmoniseren van fiscaliteit iedereen rond de tafel zit met een houding van “wij moeten de belangen van ons eigen land verdedigen” gaan we nooit tot een oplossing komen die de individuele belangen overstijgt, en die tot een internationale regeling leidt. En zolang dat het geval is zullen de bedrijven dit met plezier blijven aankijken.

Dit betekent niet, dames en heren, dat ik pessimistisch ben over het resultaat van dit initiatief. Er wordt vooruitgang geboekt, en hopelijk gaat dat zo verder.

Het betekent wel dat wij onze Belgische onderhandelaar in dit project de opdracht moeten geven om te durven denken in het algemeen, internationaal belang, en om hard te duwen om zoveel mogelijk van de uitgangspunten in de maatregelen te krijgen.

En dat is de reden waarom ik, in naam van mijn partij Groen, deze resolutie heb ondertekend.



Deze speech werd uitgesproken op een bijeenkomst over eerlijke internationale belastingen op 5 december in het federale parlement. De resolutie in kwestie vind je hier: https://www.dekamer.be/kvvcr/showpage.cfm?section=flwb&language=nl&cfm=/site/wwwcfm/flwb/flwbn.cfm?dossierID=0851&legislat=55&inst=K