25 mei 2020

Pandemic Bonds - Mislukt experiment Wereldbank

De Wereldbank lanceerde op 28 juni 2017 gespecialiseerde obligaties en derivaten die gericht zijn op het verlenen van financiële steun aan de Pandemic Emergency Financing Facility (PEF). Met de verspreiding van het nieuwe coronavirus komen deze zogenaamde pandemic bonds op twee manieren onder vuur te liggen. Ten eerste komt een kritiek boven water die reeds ten tijde van de Ebola-uitbraak in de Democratische Republiek Congo geuit werd, met name dat de financiering door dit instrument vanwege de wijze van ontwerp en de regels voor uitbetaling, automatisch te weinig en te laat is by design. Zo moet er minstens 12 weken gewacht worden na de uitbraak van het virus om te kunnen ingrijpen, en moeten er minstens 250 doden zijn gevallen Deze analyse wordt bevestigd door een studie van de London School of Economics and Political Science die stelt dat de criteria van het fonds zo strikt zijn dat van 60 ernstige ziekte-uitbraken in ontwikkelingslanden sinds 2006, de criteria tot uitbetaling maar twee keer zouden zijn behaald. Dit terwijl andere noodfondsen van de VN of de Wereldgezondheidsorganisatie in deze gevallen consequent ingrepen. Ten tweede riskeren een heel aantal - vooral Europese - institutionele beleggers, waaronder pensioenfondsen, nu een deel of zelfs het volledig ingelegde bedrag kwijt te geraken door het nieuwe coronavirus. Rekening houdend met het feit dat de eigen reserves en eigen leningen voor overheden en instellingen zoals de Wereldbank veel minder dure bronnen van risicofinanciering zijn dan deze aan de PEF verbonden obligaties en derivaten, en dat de financiële capaciteit van de Wereldbank voldoende is om het indijken van pandemieën te financieren, stelde Kamerlid Dieter Van Besien de minister van Financiën enkele kritische vragen over dit instrument.

De minister gaf aan deze kritische insteek grotendeels te delen, en gevolg te geven aan de vraag om in de toekomst dergelijke instrumenten niet meer te benutten :

"De uitbraak van het Ebolavirus in West-Afrika heeft de Wereldbank ertoe aangezet  na te denken over andere innovatieve instrumenten en meer bepaald over hoe bepaalde risico’s met betrekking tot het bestrijden van pandemieën kunnen gedeeld worden met institutionele privé-investeerders.

Zo werd in 2016 het zogenaamde “Pandemic Emergency Financing Facility (PEF)” opgericht als een specifiek Trustfonds met  middelen van een aantal donoren waaronder Japan, Duitsland en Australië. Dit Trustfonds wordt beheerd door de Wereldbank samen met de donoren en enkele andere internationale organisaties zoals onder meer de Wereldgezondheidsorganisatie en UNICEF. Een belangrijke component van de financiering was de uitgifte van zogenaamde “pandemic bonds”.

Deze faciliteit werd ook  goedgekeurd door onze Belgische kiesgroep bij de Wereldbank, hoewel enkele kritische kanttekeningen geformuleerd werden door onze toenmalige Belgische beheerder in 2016. Naast de complexiteit van het mechanisme, was ons land bezorgd over het feit dat geen aandacht geschonken werd aan het preventieve aspect en met name hoe landen hun gezondheidszorg beter kunnen wapenen tegen dergelijke pandemieën. De Belgische kiesgroep wou het creëren van dergelijk innovatief instrument dat gefinancierd werd door andere donoren, echter niet in de weg staan.

Dit gezegd zijnde, deel ik  uw bekommernis over de efficiëntie en ontwikkelingsrelevantie van dergelijk verzekeringsmechanisme ter bestrijding van pandemieën, De kritische elementen die u aanhaalt inzake kosten/baten en laattijdige respons, zijn terecht.  De 3-jarige obligaties werden in 2017 uitgegeven met vervaldatum 15 juli van dit jaar. Bepaalde vooropgestelde criteria zoals het aantal besmettingen en de  snelheid van verspreiding activeren  het mechanisme  . Institutionele investeerders zullen substantiële minwaarden realiseren en  proberen  die obligaties alsnog te verkopen op de secundaire markt om de verwachte verliezen enigszins te beperken. De meerderheid van de inschrijvingen werd verricht door Europese en Amerikaanse institutionele beleggers, respectievelijk voor 75 % en 20%. Ik kan u bevestigen dat er geen Belgische  beleggers, zoals pensioenfondsen, op deze “pandemic bonds” hebben ingeschreven. Over eventuele aankopen op de secundaire markt hebben mijn diensten echter geen informatie.

Ik denk inderdaad dat het nuttig kan zijn om aan de directie van de Wereldbank te vragen dit mechanisme aan een grondige evaluatie te onderwerpen zodat hier lessen uit getrokken kunnen worden voor toekomstige initiatieven in deze context. Ik heb de administratie van de Thesaurie gevraagd om dit op te volgen.

 

Afsluitend kan ik u bevestigen dat de Raad van Beheer van de Wereldbank op 17 maart jongstleden een “Fast Track CODIV-19 Facility” ter waarde van om en bij de 14 miljard US dollar goedkeurde. Deze middelen zullen zowel publieke als privé-investeringen door de Wereldbankgroep in de bestrijding van het COVID-19 virus mogelijk maken. Er zal niet  alleen ingezet worden op indijking en bestrijding van de negatieve economische en sociale  gevolgen van  dit dodelijke virus, maar ook, onder meer op vraag van ons land,    op preventieve maatregelen."