15 okt 2019

Spookinvesteringen en de impact op België

Een recent werkdocument van het Internationaal Monetair Fonds (“What Is Real and What Is Not in the Global FDI Network”) stelt dat in 2017 (het laatste jaar waarvoor de cijfers beschikbaar zijn) 15.000 miljard dollar van de 40.000 miljard dollar aan wereldwijde directe buitenlandse investeringen (FDI) zogenaamde spookinvesteringen zijn.

Zoals de auteurs stellen is “echte” FDI vaak belangrijk voor het creëren van banen en het verhogen van de productiviteit door overdracht van kapitaal, vaardigheden en technologie. Niet alle als zodanig te boek staande FDI brengt echter kapitaal aan ten behoeve van productiviteitswinst. In functie van metingen wordt FDI immers gedefinieerd als grensoverschrijdende financiële investeringen tussen bedrijven behorende tot dezelfde multinationale groep, en veel ervan zijn investeringen die  niet meer zijn dan een passage door lege juridische hulzen. Deze hulzen ofte “special purpose entity's” (SPV’s), hebben geen echte bedrijfsactiviteiten. Meestal vervullen ze niet meer dan een functie als beheerder van immateriële activa of als sluis voor intra-bedrijfsfinanciering. Het doel is dan vaak louter en alleen de minimalisering van de wereldwijde belastingaanslag van multinationals. Dergelijke financiële en fiscale ingrepen hebben een grote impact op de traditionele FDI-statistieken.

Tegelijkertijd is de mogelijkheid een onderscheid te maken tussen echte FDI en de nepvariant zeer waardevol. Dit maakt immers duidelijk welke  economieën de belangrijkste ontvangers zijn van de nepvariant, en welke landen het grootste “slachtoffer” zijn en kapitaal zien wegstromen. Dergelijke gegevens bieden de kans om internationale belastingconcurrentie aan te pakken. Dat actie nodig is, moge duidelijk zijn, want het onderzoek toont aan dat de nepvariant van FDI  niet alleen toeneemt, maar sneller stijgt dan de ‘echte’ directe buitenlandse investeringen. In 2017 waren ze goed voor 40 procent van alle directe buitenlandse investeringen, terwijl dat minder dan tien jaar geleden ‘maar’ 30 procent was. Dat een aantal landen continu hun vennootschapsbelasting verlaagt om deze nepinvesteringen aan te trekken creëert een wereldwijde race tot he bottom.  Waar in 1990 wereldwijd de gemiddelde vennootschapsbelasting nog 40 procent was, daalde ze in 2017 tot ongeveer 25 procent . Dit erodeert de belastingbasis van andere economieën, schrijven de onderzoekers. De IMF-economen spreken van een ‘race to the bottom’ in vennootschapsbelastingen.


Op een vraag hierover van Kamerlid Dieter Van Besien (Groen) aan minister van Financiën De Croo, blijkt dat de minister de waarschijnlijke impact hiervan als vrij gering inschat, hoewel de Belgische staat niet over cijfers beschikt om deze stromen exact in te schatten.

Verder antwoordde de minister dat "dee aangehaalde problematiek gekend is, maar de omvang ervan, die blijkt uit de aangehaalde studie, niet.  De BBI heeft reeds verschillende onderzoeken gevoerd waar een opgezette constructie met verplaatsing van kapitaal is aangepakt. Met de genoemde buurlanden is hierover geen overleg gepleegd. 

 

De vaststellingen en resultaten van de studie zullen door de fiscale administratie nader worden bekeken en, indien nuttig, worden meegenomen in de risicoanalyse.

 

Maar een antwoord op deze problematiek dient ruimer dan in een louter bilaterale context gezien te worden. De voorkeur dient gegeven te worden aan een objectieve benadering die steunt op internationaal studiewerk waardoor de Europese Unie en de OESO een belangrijke rol te vervullen hebben.

 

Diverse instellingen van de Europese Unie hebben het fenomeen van buitenproportionele FDI stromen geanalyseerd en onder de aandacht gebracht. Zo is er een recente studie van het Europees Parlement die de problematiek in kaart brengt.[1]

 

Via het Europees Semester oefent de Europese Commissie onder meer toezicht uit op de FDI stromen. In de jaarlijkse landenspecifieke aanbevelingen aan de lidstaten wordt gewezen op de gevaren van  abnormaal hoge stromen van FDI en de link met potentiële agressieve fiscale planning. De lidstaten worden op die manier gedwongen om hier rekening mee te houden en de gepaste maatregelen te treffen.

 

Diverse maatregelen werden binnen de Europese Unie genomen die zowel relevant zijn in de strijd tegen belastingontwijking als in de strijd tegen nep FDI instromen. Daarbij kan verwezen worden naar de aanpassing van de moeder-dochterrichtlijn, ATAD 1, ATAD 2 en de verschillende DAC richtlijnen die streven naar een verhoogde fiscale transparantie. De omzetting van deze initiatieven in het intern recht draagt bij in de strijd tegen spookinvesteringen."