29 sep 2020

Volstaat huidige wetgeving bedrijfsrevisoraat?

Het belang van een bedrijfsrevisor is groot. De gehele samenleving moet erop kunnen rekenen dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de financiële situatie van de onderneming. De jarenlange opsmukking van de balans van het Duitse Wirecard die niet werd blootgelegd door revisor EY en de jarenlange problematische praktijken van het Belgische FNG die eveneens niet werden blootgelegd door haar revisor, roepen de vraag op of de huidige organisatie van en wetgeving op het bedrijfsrevisoraat wel volstaan. In België is de relevante wetgeving de wet tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren van 7 december 2016, die de Belgische omzetting was van de Europese auditrichtlijn (2014/56/EU) uit 2014. Daarnaast geldt er in de hele EU bovendien de auditverordening (537/2014), eveneens uit 2014.

Kamerlid Dieter Van Besien stelde de volgende vragen omtrent de huidige wet- en regelgeving op het bedrijfsrevisoraat aan minister van Economie Muylle:


1. In het algemeen en met bijzondere aandacht voor de recente problematische gevallen die aan het licht zijn gekomen, acht u de huidige auditwetgeving voldoende, of stelt u op Belgisch en/of Europees niveau aanpassingen van de regelgeving voor?
2. Meer specifiek: beschouwt u het als problematisch dat revisorkantoren worden geselecteerd en betaald door de bedrijven die zij controleren, met mogelijk negatieve incentives tot gevolg, waarbij het voor deze kantoren bedrijfsmatig een verstandige keuze kan zijn niet voldoende grondig te controleren?
3. Beschouwt u het als problematisch dat de grote revisorkantoren ook actief zijn in het aanbieden van consultancy- en adviesdiensten aan dezelfde bedrijven die zij als revisor controleren - hoewel niet gelijktijdig- met eenzelfde negatieve incentive als hierboven tot gevolg?
4. Beschouwt u de huidige situatie van marktconcentratie, waarbij de zogenaamde Big Four een haast oligopolistische controle over de markt hebben (volgens het rapport van de Europese Commissie uit september 2017 controleren zijn in België maar liefst iets minder dan 80 % van de markt wat betreft organisaties van openbaar belang, waarbij België nog onder het Europese gemiddelde zit) , als problematisch?
5. Heeft u met betrekking tot de problemen opgesomd in punten 2 tot 4 op Belgisch of op Europees niveau actie ondernomen of voorgesteld, en plant u zelf actie op deze punten?
6. Met de wet van 7 december 2016 werd het toezicht op de bedrijfsrevisoren volledig toevertrouwd aan het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren. Uit bovengenoemd rapport uit september 2017 stelt de Commissie dat de "meeste Nationale Bevoegde Autoriteiten zeer weinig ervaring hebben met het monitoren van de activiteiten en prestaties van auditcomités van organisaties van openbaar belang". Hoe evalueert u de werking van het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren, en welke stappen werden sinds het inwerking treden van de wet genomen om deze werking te verbeteren?
7. In de tweede mededeling van het College uit 2019, betreffende de dialoog tussen commissaris en auditcomité, stelde het College vast dat in ongeveer de helft van de van organisaties van openbaar belang, de commissaris naast zijn wettelijke controleopdracht ook niet-controlediensten aanbood. Beschouwt u dit als problematisch?


De minister verschafte hierop het volgende antwoord:

1. De Europese regelgeving inzake audit (met enerzijds de auditrichtlijn 2006/43/EG, gewijzigd door de richtlijn 2014/56/EU, en anderzijds de auditverordening nr. 537/2014) en de omzetting ervan in de Belgische wetgeving hebben (onder meer) tot doel om mechanismen in het leven te roepen om dergelijke problematiek op te sporen en desgevallend aan te pakken. De wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren voorziet via de oprichting van het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren (College) in een autonoom publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren dat volledig onafhankelijk is van diegenen waarop het toezicht wordt uitgeoefend. Het College beschikt over ruime bevoegdheden en zal aan deze problematiek dan ook de nodige aandacht besteden.

2. De Belgische regelgeving inzake de aanstelling en de benoeming van een bedrijfsrevisor als commissaris van een onderneming, belast met de wettelijke controle van de jaarrekening van de onderneming, alsook de vergoeding die de commissaris hiervoor ontvangt, is in  overeenstemming met voormelde Europese regelgeving. Het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV) voorziet in de artikelen 3:55 tot 3:71 diverse bepalingen om te garanderen dat de commissaris zijn controlewerkzaamheden volledig onafhankelijk en onpartijdig kan uitvoeren. Zo mogen bijvoorbeeld de honoraria die de commissaris ontvangt, niet beïnvloed of bepaald worden door het verlenen van bijkomende diensten aan de vennootschap waarvan hij de jaarrekening controleert. Evenmin mag de commissaris opdrachten uitvoeren tegen vergoeding van resultaatgebonden honoraria (artikel 3:65, § 6, van het WVV).

3. Reeds vóór de omzetting van de Europese audithervorming van 2014, bevatte de Belgische regelgeving een aantal strikte maatregelen om te vermijden dat een commissaris tijdens zijn mandaat tegelijk bepaalde niet-controlediensten (zoals advies en consultancy-diensten) zou verstrekken aan de vennootschap waarvan hij de jaarrekening controleert. Eén van de doelstellingen van de Europese audithervorming was het invoeren van strengere vereisten inzake de onafhankelijkheid van de commissaris. De bestaande waarborgen zijn in de voormelde wet van 7 december 2016 dan ook verder verfijnd en gepreciseerd. Deze betreffen onder meer: 

- de lijst van de verboden diensten die een commissaris en ieder lid van het netwerk waartoe hij behoort, niet samen met de wettelijke controle van de jaarrekening mag verstrekken (artikel 3:63 van het WVV);

- de beperking van de verhouding tussen de honoraria voor de wettelijke controle en de honoraria voor niet-controlediensten; meer in het bijzonder mogen bij organisaties van openbaar belang (zogenaamde OOB) de totale honoraria voor niet-controlediensten (geleverd gedurende een periode van drie boekjaren) maximaal 70% bedragen van de gemiddelde audithonoraria van de laatste drie (opeenvolgende) boekjaren (artikel 3:64, § 1, van het WVV); bij niet-OOB mogen de honoraria voor niet-controlediensten niet hoger liggen dan de audithonoraria (de zogenaamde “one to one”-regel), in zoverre het gaat om vennootschappen die deel uitmaken van een groep die verplicht is te consolideren (artikel 3:64, § 3, van het WVV);

- het publiek karakter van de honoraria van de commissaris in de toelichting bij de jaarrekening, alsook van de honoraria voor andere opdrachten buiten de wettelijke controle van de jaarrekening (artikel 3:65 van het WVV).

Het College ziet toe op de correcte naleving van deze onafhankelijkheidsvereisten.

4. Eén van de voornaamste beweegredenen voor de audithervorming en dit destijds onder leiding van Commissaris Barnier, was een antwoord op de marktconcentratie van de auditmarkt te bieden.

De auditverordening voorziet dan ook in aantal maatregelen die hierop een antwoord wensen te bieden, zoals de verplichte rotatie van het auditkantoor, de mogelijkheid om een gezamenlijke controle uit te voeren en een monitoring van de marktkwaliteit en mededinging.

Met betrekking tot dit laatste punt, evolueert de markt voor het leveren van wettelijke controlediensten aan OOB’s inderdaad doorheen de tijd. Het is daarom noodzakelijk dat de bevoegde autoriteiten de marktontwikkelingen volgen, in het bijzonder wat betreft de risico's die voortvloeien uit een hoge marktconcentratie, ook binnen specifieke sectoren, en de prestaties van auditcomités. Gelet op de internationale dimensie van deze auditkantoren, kan de Belgische context niet los gezien worden van de Europese. Daarom is het College vragende partij voor nauw overleg met de Europese toezichthouder, de Committee of European Auditing Oversight Bodies, afgekort CEAOB, en andere Europese landen.

De Europese wetgever heeft maatregelen genomen om deze ontwikkelingen in de markt van nabij op te volgen. Artikel 27 van de auditverordening bepaalt dat elke bevoegde autoriteit en het Europees mededingingsnetwerk ten minste driejaarlijks een verslag opstellen over marktontwikkelingen inzake het verstrekken van wettelijke controlediensten aan OOB’s en dit bij het CEAOB, ESMA, EBA, EIOPA en de Europese Commissie indienen.

Deze oefening wordt gestuurd en gecentraliseerd door het CEAOB, dat een rapporteringsvragenlijst en richtsnoeren voor het invullen daarvan heeft opgesteld.

Het College volgt in deze context de ontwikkelingen van de Belgische markt op. Het volgt in het bijzonder de volgende evoluties op van de wettelijke controlediensten aan OOB’s:

- de risico’s van de sluiting van een kantoor of de verstoring van de dienstverlening door een groot aantal kwalitatieve tekortkomingen

- de noodzaak om maatregelen vast te stellen om deze risico’s in te perken; 

- de mate van marktconcentratie.

In 2019 heeft het College een bijdrage geleverd aan de door het CEAOB gecoördineerde oefening rond het “market monitoring report”. Het verstrekte informatie over de door het CEAOB gedefinieerde “key market monitoring indicators”.

Finaal stelt de Europese Commissie een gezamenlijk verslag op over de ontwikkelingen op communautair niveau en dient ze dit verslag in bij de Europese Raad, de Europese Centrale Bank, het Europees Comité voor systeemrisico’s en, indien passend, bij het Europees Parlement. Het College wacht op vandaag dit verslag van de Europese Commissie af aangezien de resultaten in België en de beoordeling daarvan niet los kunnen worden  gezien van deze in Europa omdat de onderzochte bedrijfsrevisorenkantoren vaak onderdeel zijn van Europese netwerken.

 

5. Hierbij kan verwezen naar de antwoorden op de vragen 2 tot 4. Het is zo dat de Europese evolutie op de voet wordt gevolgd.


6. Het College oefent zijn activiteiten uit in het algemeen belang en onafhankelijk van diegenen waarop het toezicht uitoefent. In dit kader, om het extern toezicht op de bedrijfsrevisoren vorm te geven, organiseert het College vooreerst kwaliteitscontroles bij de bedrijfsrevisoren. Het College gaat na of de gecontroleerde bedrijfsrevisor over een organisatie beschikt die aangepast is aan de aard en de omvang van zijn activiteiten. Verder strekt de kwaliteitscontrole ertoe te verifiëren of de bedrijfsrevisoren hun activiteiten verrichten overeenkomstig de controlenormen en de toepasselijke (deontologische) regels.

Het College hecht daarbij in eerste instantie veel belang aan de preventieve maatregelen die zijn gericht op de verbetering van de organisatie, de werkmethoden en de kwaliteit van de uitvoering van de opdrachten van de bedrijfsrevisoren. Het College stelt immers vast, onder meer door zijn opvolging ter plaatse, dat zijn preventieve aanpak voor de meerderheid van de gecontroleerde bedrijfsrevisoren vruchten afwerpt.

Het College nam sinds zijn oprichting beslissingen in 350 dossiers met betrekking tot kwaliteitscontroles bij bedrijfsrevisoren die OOB’s controleren en bedrijfsrevisoren die geen OOB’s controleren. Voor de nadere toelichting over de vastgestelde inbreuken door het College tijdens deze kwaliteitscontroles verwijs ik naar de uitgebreide  bespreking van deze vaststellingen in de jaarverslagen van het College.

Niet alleen voert het College de nodige kwaliteitscontroles uit, het voert eveneens onderzoek naar de naleving van de vereisten inzake de permanente vorming door de bedrijfsrevisoren.

Verder ziet het College ook toe op de naleving van de verplichtingen inzake de voorkoming van witwassen van geld en terrorismefinanciering. In 2018 en 2019 heeft het College 79 inspecties uitgevoerd. Parallel met de inspecties keurde het College in 2018 een actieplan goed dat ertoe strekte de aanpak te versterken van de controle van de naleving – door de bedrijfsrevisoren – van de voor hen geldende verplichtingen inzake de voorkoming van witwassen van geld en terrorismefinanciering.

Vervolgens houdt het College ook toezicht op andere thema’s zoals de voortijdige onderbreking van het commissarismandaat en opent het ook op regelmatige basis toezichtsonderzoeken naar aanleiding van faillissementen, klachten of informatie van derden. Deze onderzoeken gaven aanleiding tot 29 beslissingen waaronder het formuleren van een aandachtspunt of aanbeveling of het opleggen van een terechtwijzing.

De activiteiten van het College kunnen er ook toe leiden dat de secretaris-generaal van het College overgaat tot het openen van een onderzoek waardoor het College het dossier kan inleiden bij de sanctiecommissie van de Autoriteit voor Financiële diensten en Markten. Het College heeft daarbij bijzondere aandacht voor tekortkomingen die een impact kunnen hebben op de opinie van de gebruiker van de financiële informatie, voor tekortkomingen op ethische voorschriften en voor herhaalde tekortkomingen. Het College let ook op de voldoende en geschikte controlewerkzaamheden die de bedrijfsrevisor moet uitvoeren om een adequaat oordeel over de financiële staten te kunnen formuleren. De afgelopen jaren werden drie dossiers verwezen naar deze sanctiecommissie.

In relatie tot de werking van auditcomités van OOB’s is op te merken dat het College slechts over een beperkte toezichtsbevoegdheid beschikt. Artikel 27 van de auditverordening bepaalt immers dat het College regelmatig de ontwikkelingen in de markt voor wettelijke controlediensten aan OOB’s opvolgt en in het bijzonder de prestaties van auditcomités.

In dit kader heeft het College al verschillende initiatieven ontwikkeld en contact genomen met de auditcomités om hun rol te ondersteunen. Zo organiseerde het College begin 2019 een sensibiliseringsseminarie samen met vertegenwoordigers van auditcomités en het Verbond van Belgische Ondernemingen over de rol van een auditcomité. Dit seminarie vormde een gelegenheid om de aanwezige leden van de auditcomités bewust te maken van het belang van de CEAOB-enquête over de werking van de auditcomités. Het College heeft deze enquête vervolgens uitgevoerd en de resultaten geanalyseerd. Op de website van het College is hierover een feedback statement gepubliceerd ter ondersteuning van de auditcomités en de bedrijfsrevisoren.

Tenslotte voerde het College in dat verband, zoals reeds toegelicht, de afgelopen jaren reeds verschillende inspecties en kwaliteitscontroles bij de bedrijfsrevisoren uit rond het thema van de informatieverstrekking door de bedrijfsrevisor aan het auditcomité.

 

7. Het leveren van bepaalde niet‑controlediensten aan gecontroleerde entiteiten door commissarissen, hun kantoren of leden van hun netwerken, is in beginsel verboden omdat het leveren van deze prestaties de onafhankelijkheid van de commissaris in het gedrang kan brengen. De voormelde wet van 7 december 2016 voorziet in uitvoering van de Europese verordening een aantal uitzonderingen en veiligheidsmaatregelen hierop. Deze regeling inzake het verlenen van niet‑controlediensten, zoals bepaald in de auditverordening maakt een principieel onderscheid tussen verboden niet‑controlediensten, verboden niet‑controlediensten, die onder bepaalde voorwaarden toegelaten zijn, en andere niet‑controlediensten.

Het College is belast met het toezicht op de naleving van de regels voorzien voor het verlenen van niet‑controlediensten en gaat bij zijn controles na in welke mate de bedrijfsrevisoren deze regels naleven. Het College stelde in 2019 meermaals vast dat de bedrijfsrevisoren in hun dossier de voorwaarden om toch verboden niet‑controlediensten te verlenen te beknopt toelichten. Verder stelde het College vast dat de bedrijfsrevisoren in de aanvullende verklaring aan het auditcomité de schatting van het effect op de gecontroleerde jaarrekening niet altijd afdoende toelichtten zoals wettelijk vereist of dit minstens onvoldoende documenteren in hun controledossier (art 3:63,§ 4, b, van het WVV).

Ook tijdens de controles voor 2020 schenkt het College bijzondere aandacht aan de verplichtingen van de bedrijfsrevisoren ter zake en gaat het na of de bedrijfsrevisoren zich houden aan hun rapporteringsverplichtingen aan het auditcomité, de regels inzake het verlenen van niet‑controlediensten en hun voorafgaandelijke goedkeuring door het auditcomité. Deze aandacht ligt in het verlengde van de initiatieven die het College reeds eerder nam.

Het College werkt in dat kader ook samen met het CEAOB en andere Europese toezichthouders en stelt vast dat niet elke Europese toezichthouder de lijst van verboden niet‑controlediensten op dezelfde wijze interpreteert. Enerzijds bemoeilijkt dit de toezichtsopdracht van het College; anderzijds is te vermijden dat de concurrentiepositie van de Belgische bedrijfsrevisoren wordt benadeeld ten opzichte van de bedrijfsrevisoren in andere Europese landen (of omgekeerd) doordat een toezichthouder van een bepaalde Europese lidstaat bijvoorbeeld bepaalde niet‑controlediensten ruimer zou interpreteren.

Tot slot mag niet uit het oog worden verloren dat de regels inzake de niet‑controlediensten vastliggen in de auditverordening. Wijzigingen aan deze regels of de lijst van verboden niet‑controlediensten zullen dan ook het voorwerp moeten uitmaken van Europees overleg en regelgeving teneinde een uniforme toepassing te kunnen nastreven.

Reacties

Vennligst sjekk din e-post og klikk på lenken for å bekrefte din nye e-postadresse.
Cookies op groen.be

Groen gebruikt functionele en analytische cookies die noodzakelijk zijn om de website goed te laten functioneren. Deze cookies verwerken geen persoonsgegevens en hier is geen toestemming voor nodig.

Als je daarvoor toestemming geeft, maken we ook gebruik van marketingcookies. Die stellen ons in staat om de website beter af te stemmen op jouw voorkeuren.

Je kunt je instellingen altijd weer wijzigen op de pagina over de cookies.

Voorkeuren aanpassen
Alle cookies accepteren